Kefir! Een paar jaar terug heb ik iedere dag een glaasje kefir gedronken maar wegens eens op vakantie geweest te zijn heb ik het kwijt gespeeld. Maar via de zoon staat het terug in mijn keuken. Een bokaaltje met kefir. Wat is kefir nu eigenlijk… moeilijk te zeggen, als je eens googelt vind je al heel wat informatie. Ik voeg er dagelijks melk aan toe en het brokkelt een beetje en het ruikt wat naar zure yoghurt moet ik zeggen, maar het smaakt heerlijk. Ik probeer het nu weer eens tijdje in huis te houden, maar ik ben zeker dat ik het niet zal volhouden. En het is nu niet echt iets waar je van zegt ho zeg dat moet je in huis hebben… nee, het is gewoon kefir en je houdt er van of niet! Als je ooit de kans krijgt om dit in huis te halen… gewoon eens doen en zien of dit je ligt!

Vorig jaar op 3 oktober propten we, in familieverband, een paar eikenstammetjes vol met mycelium plugs van ‘Lentinula edodes’, de shitake, en dekten de gaatjes keurig af met bijenwas. De plugs lagen al van met vaderdag in de frigo. Een kado van mijn oudste zoon, die ze via Paul Stamets had besteld. Ons eigenste Mycelium kreeg o.a. vorm dankzij Paul Stamet’s inspirerende TED Talk Six Ways Mushrooms Can Save the World.
Zeven maanden lagen de geënte stammetjes beschut in een uithoek van de tuin te slapen, maar op 1 mei maakte ik ze (hopelijk) wakker met een daglange waterdoop.
Nu staan ze fier rechtop in emmers, gevuld met vochtig zand, en is het spannend afwachten of het mycelium ook effectief vruchtlichamen, beter gekend als paddenstoelen, tot bloei laat komen. Het mycelium geeft immers niet altijd een zichtbaar resultaat; het vraagt soms wat tijd of andere omstandigheden voor een ingezette beweging daadwerkelijk aan de oppervlakte komt.
Ondertussen heeft m’n moestuin het heersende droge voorjaar goed doorstaan. Erwten, tuin- en struikbonen floreren met warme voeten in onze humusrijke zandgrond. De zaaiajuin blijft moedig, maar groei zit er niet echt in.
De brocoli’s wassen als kool met al de radijzen die hun voeten koel houden. Een mooie symbiose die ik meeneem voor volgende jaren. M’n ingezaaid bijbloemenveldje op een stukje arme grond staat schraal, alleen de boekweit laat zien dat ze van goede huize is en niet voor niets het graan van de arme boer wordt genoemd. Alleen de gretige (knol)selder heb ik verwend met regelmatige vlagen regenwater. ‘Selder mag je niet te diep planten, die moet de klokken voelen luiden’ hoorde ik ooit. Niets is minder waar, selder moet kunnen zwiepen in de wind.
Een deel van de courgettes loopt duidelijk achterop. Meer dan ik dacht teren ze op vol zonlicht en dat krijgen ze nu net niet.
Wie geen specialist is en toch tomaten wil kweken moet de uitleg van mijn vrouw eens bekijken. Je leert er tomaten opkweken in je living die je dan later uitplant in je moestuin: http://deaalscholver.blogspot.com/
Hier zit ik op mijn terras, 2 hoog, hartje Stad.
Ik begrijp niet dat de buren er niet zitten. Of zijn ze met zijn allen naar ‘de country’ of naar Linkeroever?
De wind waait, de zon schijnt en de goudenregen van de buurman bloeit gewelddadig. Ik zie het allemaal groeien en bloeien voor mijn neus. De wind scheert laag en stuwt de zilte zeegeur van over de Schelde landinwaarts. De koriander hangt slap van groeidrift. De rijk met compost gevoerde hosta beloont me met slechts 2 bloemen en heel veel blad, in tegenstelling tot de voorafgaande magere jaren. Toen een en al bloem en weinig blad. De pompoen – gekregen van onderbuurvrouw uit zaad van mijn pompoen anno 2010 – draagt bloem, met twee tegelijk, naast mekaar! Als dat maar goedkomt. Het olijfboompje – blikvanger voor de winter in vervanging van de gestorven vijg – aarzelt: ga ik kapot of ga ik verder. Neen, het plantenleven op een terras 2 hoog valt niet altijd mee. Maar was dat niet evenzo op de heuveltop in de Condroz? Wat is het verschil tussen 66 are in de Condroz of een terras van 6m2 in de koekenstad? Alleen dat het iets sneller gaat in het laatste dan in het eerste geval. En dat ik me er niet in verlies.

Begin maart, ook al vroor het ’s nachts nog, begonnen we aan het nieuwe tuinseizoen. Mijn vrouw stond, zoals ieder jaar, op hete kolen. ‘Vorig jaar hadden we al half februari gezaaid in de serre!’
Hoe zou je dat nu ‘niet’ weten als je dat veertien dagen lang iedere dag ingelepeld krijgt? En had ik al willen gebaren van hardhorigheid, de bakken vol voorgezaaide tuinbonen in de eetkamer vielen moeilijk te negeren. Zelf fungeer ik eerder als een oude dieselmotor die ’s ochtends wel wilt starten, ALS je hem tenminste eerst wat opwarming gunt. Een beetje zorg en aandacht verrichten wonderen. En al zit mijn tank ook vol (goesting), ik hoef daarom nog niet persé te rijden. Voor mij begint het vollegrondsseizoen pas als de grond na een lichte grondbewerking opzomert. Tuingrond die dat niet doet, heeft nog duidelijk last van kou en/of vocht. Geduldig wachten is dan de boodschap, het ene seizoen is immers het andere niet.
Ondertussen eten we toch maar volop snijsla, radijzen en spinazie uit de koude serre en lijken de voorgezaaide tuinbonen, in vergelijking met de vollegronds gezaaide, liters groeihormonen te hebben gekregen. Dat kregen ze natuurlijk niet. Aandacht en dagelijkse zorg volstonden.

In de tuin zorgt de natuur grotendeels voor zichzelf. De asperges groeien terwijl je er naar kijkt en de rabarberplanten, al liggen ze aan de noorderkant, stuwen hun stengels resoluut richting zon. Wonderbaarlijk hoe de natuur elke lente opnieuw, zonder opdracht of toestemming, van scratch terug tot wasdom komt. Wat een mateloze, indrukwekkende energie! Wat een levenslust!
De lente is niet meer te stuiten. Dat beseffen ook de jonge erwten, die met hun voeten in de opgewarmde, aangeaarde grond, blozen in de zon.
Het gaat goed in mijn jonge voorjaarstuin en daar word ik dan weer op eenvoudige manier gelukkig van.
Hoe valt dit tuinmansgeluk te omschrijven? Wat telt er dan?
Ach … alles wat geteld kan worden, telt niet noodzakelijk; alles wat telt, kan niet noodzakelijk worden geteld en alles wat je aandacht geeft, groeit. Wie wordt daar nu niet gelukkig van?
